Over de inhoud
De Vogelboom
Wat was het toch een leuk plein. In het midden was een kinderspeelplaats met schommels, klimrekken, een wipkip, een glijbaan en een speelveld.
Daaromheen stonden bomen en dichte struiken, waarin kinderen en vogels zich goed konden verstoppen.
In een van de tuinen aan het plein stond een prachtige hoge conifeer. Het was echt een vogelparadijs.
Jarenlang bleef alles hetzelfde tot het in een herfstnacht flink ging waaien. Niets bijzonders, want dat gebeurde wel vaker. Sommige vogels doken dieper de boom in en andere verhuisden naar de klimop die tegen de schutting groeide. Na een uurtje waaide het niet meer… het stormde! En het werd nog erger. De takken van de bomen op het plein zwiepten heen en weer en braken af. Geen vogel was er meer veilig. Ze vlogen met z’n allen naar de hoge conifeer in de tuin van de mevrouw. Die zwiepte ook vervaarlijk heen en weer, maar er brak geen takje af. Stil en een beetje misselijk zaten ze die stormnacht dicht bij elkaar.
Af en toe hoorden ze heftig gekraak. Dat klonk niet best. Angstig vroegen ze zich af wat ze zouden zien als het weer licht werd.

Illustraties: C Karin Narinx
Eindredeactie: Fiorien van der Werff-van Goudoever
Advies: Nynke Broekhuis
Vormgeving: Anne Meijer
Over mijzelf
Truda Henselmans


Er zitten veel verhalen in mijn hoofd. Dat is altijd zo geweest. Ik dacht dat iedereen dat had, zodat je je nooit hoeft te vervelen.
Soms schreef ik de verhalen op, en soms werden ze verteld tijdens lange autoritten of voor het slapen gaan.
Eindelijk mogen de vogels uit de Vogelboom gaan rondvliegen zodat ze jong en oud kunnen laten meegenieten van hun verhalen.
Wat andere zeggen…

Melissa
Vogels kijken heb ik altijd al leuk gevonden. Een boek als dit had me op jonge leeftijd al veel kunnen leren. De tekeningen zijn speels. Tegelijkertijd kun je de vogels er echt beter mee herkennen.
Op verhalende wijze leg je veel uit over hun gebruiken, leefwereld en de moeilijkheden die ze vaak ondervinden, zoals de kat van de buren of het soms toch wel regenachtige weer in Nederland. Ik moest gniffelen om het roodborstje dat keihard zingt om de indringers weg te jagen, dat herken ik wel.
Door ook een beetje vanuit de vogels zelf te schrijven, maak je het makkelijker voor de jonge lezer om zich in te leven in de tuinvogels.

Merel
Het boek laat je even meekijken in het leven van de vogels in je eigen tuin, en dat doet Truda Henselmans op een heel warme en natuurlijke manier.
De verhalen zijn kort, maar vol gevoel – soms grappig, soms ontroerend, en altijd met liefde voor de natuur geschreven.
De illustraties passen er mooi bij en maken het geheel nog leuker om door te bladeren. Het is zo’n boek dat je met een glimlach dichtslaat en waardoor je daarna anders naar de vogels buiten kijkt.
Een echte aanrader dus!

Ruben
Wat een super leuk en creatief boek! Mijn kids vinden het geweldig.
Complimenten naar de schrijfster.

Petra
Mijn kleinzoon vind het leuke verhalen en luistert aandachtig. En ik lees het met plezier voor.
Als we nu de natuur in gaan maken we zelf ook verhaaltjes dus het heeft ons geïnspireerd.
Fervent vogelaar….
Recentie Ko Katsman 22-07-2024
Hoe geef je kinderen informatie over vogels? Doe je dat volgens de mores van een vogelgids: zo zien ze eruit, dit geluid maken ze en daar komen ze voor? Of doe je dat op een andere manier? De auteur kiest voor verhalen.
In de tuin van wat later de buurvrouw blijkt te zijn, staat een conifeer. Een Vogelboom waarin veel vogels uit de buurt een plekje vinden. Maar de boom loopt gevaar gekapt te worden. Na een storm moet de rommel opgeruimd worden. Gemeentewerken gaat voortvarend aan de slag en een paar eiken op een plein lijken te moeten sneven. Gelukkig voorkomt een brief aan B&W dat de bomen gekapt worden.
Een belangrijke rol in het verhaal is weggelegd voor ‘de mevrouw’ die heel goed voor de vogels in haar tuin zorgt. Ze voert ze bij en hangt nestkastjes op. Vogels krijgen een naam in het verhaal. Merel en Merijn zijn de merels die, zoals alle dieren, sprekend opgevoerd worden. We komen te weten hoe ze de winter doorkomen dankzij bijvoedering door ‘de mevrouw’. In het voorjaar bouwen de merels een nest. Daar komt van alles bij kijken. En welke gevaren lopen de jonge vogels?
’s Winters krijgen de merels gezelschap van spreeuwen. Daardoor komen we het een en ander te weten over vogeltrek. In het koude jaargetijde komen vogels die je anders nooit in de tuin of boom ziet van de voedertafel snoepen. Zo maken we kennis met nog meer soorten.
Het bijvoeren leent zich om een hoofdstuk aan ‘pikorde’ te wijden. De houtduiven Zahra en Simon zijn op een gegeven moment het leven in en om de Vogelboom zat en besluiten eropuit te
trekken. Ze gaan op zoek naar een land waar ze zich beter thuis zullen voelen. Met dit gegeven kun je een heleboel over vogeltrek kwijt en de gevaren die ze gedurende hun reis lopen.
Teun en Tina zijn roodborsten die zich ook als roodborst gedragen: onverdraagzaam. Fayza en Farouk, twee Turkse tortels, doen wat wij zo goed van tortels kennen: een heel slecht nest bouwen. Maar gelukkig slagen ze er toch in om een paar jongen groot te brengen. We maken verder nog kennis met mussen, mezen, een gaai en eksters. De illustrator is erin geslaagd om met heel duidelijke tekeningen de vogels en de sfeer weer te geven. Alleen bij de houtduiven ontbreekt de kenmerkende witte halsvlek.
Een mooi boek om kinderen die de leeskunst nog niet machtig zijn, voor te lezen en voor de wat oudere jeugd om het zelf te lezen.

Ruimte voor verhalen

‘Heb jij er ook zo’n last van, Simon?’ vroeg Zahra.
Simon keek haar verbaasd aan: ‘Waar zou ik last van moeten hebben?’
Zahra koerde zachtjes en hield haar kopje schuin, terwijl ze naar haar man keek: ‘Van lentekriebels natuurlijk.’
‘Lentekriebels, lentekriebels, waar haal je het vandaan? Het vriest nog en het gaat misschien wel sneeuwen.’
Zahra zuchtte en stopte met koeren.
‘Ik weet ook wel dat het nog lang geen lente is, maar als de zon schijnt, krijg ik er last van, van die
kriebels, bedoel ik. Ik kan er niets aan doen.’
Simon zette zijn veren op om warm te blijven. ‘Nog even geduld, Zaar, de lente komt heus wel, maar
nu nog niet. Zullen we een hapje gaan eten?’
Ze vlogen naar de voedertafel, waarop de mevrouw speciaal voor hen een schaaltje kippenvoer had
neergezet. Hè, dat was lekker.
Simon kreeg gelijk. Aan het eind van de middag ging het sneeuwen. Grote vlokken, die niet smolten als ze op de grond vielen. De voedertafel verdween langzaam onder een witte deken. De houtduiven zaten dicht tegen elkaar aan in de Vogelboom, samen met alle andere vogels uit de omgeving, want
dit was de warmste plek op het plein.
‘Ik wil hier weg,’ mompelde Simon. ‘Ik word gek van dat getsjilp, gesnater en gepiep om mij heen.’
‘Rustig nou,’ zei Zahra, ‘als de zon weer gaat schijnen en de sneeuw is gesmolten, dan wordt het hier
weer stil en hebben we de tuin bijna voor ons alleen.’
‘Ja als, en als het dan mooi weer wordt, moeten we de boom delen met de Turkse tortels, die hier ook hun nest bouwen en met alle vogels, die in de boom komen slapen.
Ik heb er genoeg van, Zaar, ik wil wel eens wat anders.
Ik wil weg, emigreren!’
‘Wat is dat nou, emigreren?’ vroeg Zahra.
‘Nou, gewoon, vertrekken naar een ander land. Wij hebben tenslotte niet voor niets vleugels, waarmee wij naar een andere plek kunnen vliegen.’
‘Méén je dat nou, Simon? Maar waar wil je dan naartoe, we hebben het hier toch goed? De mevrouw veegt de sneeuw wel weer van de voedertafel en geeft ons te eten. Ik heb je nog nooit horen zeggen dat je weg wilt.’ Simon keek nors voor zich uit:
‘Ik heb er opeens genoeg van, dat kan toch?
Ik wil niet mijn hele leven hier op het plein en in deze
tuin wonen. Ik heb vleugels en ik wil wegvliegen.’
Zijn dat soms ook lente-kriebels en zouden die ook weer vanzelf
voorbijgaan, vroeg Zahra zich af.
Ze hoopte van wel, want het beviel haar goed in de tuin.
Hier hadden ze geen last van roofvogels, hun grootste vijanden.
Hier waren ze veilig. Ze besloot er niets meer over te zeggen, dan
vergeet hij wel weer dat hij weg wil, dacht ze.